sterven in het leven - verhaal over het oplossen van het ik-centrum

Ze hadden net heerlijk gevreeën en lagen in stilte naast elkaar op bed. Ze voelde zich in een staat van totale ontspanning wat plotseling overging in een ervaring waarvan het gevoel haar onbekend voorkwam. Ze keek naar het plafond en het leek alsof het gips draaide en ook weer niet. Het werd sterker en vormde een draaikolk van licht alsof ze onder water lag en tegen de onderkant van het wateroppervlakte aankeek waar de zon door heen scheen. Deze lichtbron was zacht aan haar ogen er heel helder tegelijk. Ze voelde dat het van een onmetelijke kracht was en ze werd er naar toegetrokken of ze wilde of niet. Niet fysiek maar met haar bewustzijn.

Haar lichaam voelde zwaar en ineens was er een weten in haar, zo zeker dat niets in haar twijfelde of zelfs maar hoopte dat ze zich vergiste. Ze wist dat ze stervende was. Het was zo zeker als dat ze wist dat de zon was opgekomen als het daglicht ’s morgens haar kamer in scheen. Terwijl ze zich dit realiseerde met haar hele lichaam, voelde ze een angst opkomen die ze nooit eerder had ervaren. In dat moment drong het tot haar door dat ze nog nooit eerder werkelijke angst had ervaren. Angst die zo diep ging. Dit was doodsangst. Ze wist dat ze geen enkele controle had over wat er met haar gebeurde en dat het sterven onvermijdelijk was. Het was een feit.

Deze ervaring was van een totaal andere orde dan ze ooit iets had ervaren. Het gebeurde door haar heen zonder dat ze het kon stoppen. Haar lichaam voelde alsof het verlamd was. Het was te zwaar om ook maar een vinger te bewegen. Ze dacht aan haar kinderen en voelde paniek. Hoe moest het met hen verder als zij er niet meer was om voor ze te zorgen want ze wist zeker, ze ging dood en zou niet meer terugkomen. Hoe wist ze dat zo zeker? Dit weten kwam namelijk niet uit haar verstand. Dit weten ging haar rationele verstand ver te boven. Dit weten was echt. Alles in haar ademde dit weten, … iedere cel in haar lichaam. Ze realiseerde zich dat ze niet terug zou kunnen komen omdat er niets was om naar terug te komen. Parallel aan de ervaring dat ze stierf, was er een enorm helder bewustzijn in haar dat ervoer dat de realiteit totale leegte is. Een oneindige zwarte leegte. Haar leven was niet meer dan een hallucinatie en dus was er niets om naar terug te keren. Het was alsof ze oploste en ze doorzag dat alles om haar heen illusie was. Ze zag de kamer zoals ze die normaal ook met haar ogen zag en tegelijkertijd wist ze dat de hele kamer, inclusief zijzelf er niet was. In ieder geval niet op de manier en van dezelfde kwaliteit waarop ze het tot dan toe had ervaren.

Ondanks de paniek die ze voelde, bleef ze gek genoeg enorm rustig en zei tegen haar man die nog altijd naast haar lag dat ze bang was. Hij vroeg wat er aan de had was en zij antwoorde: “Ik ga dood.” “Je ziet er anders prima en heel ontspannen uit”, zei hij. “Toch weet ik het zeker”, zei ze. “En ik voel me heel bang.” Hij realiseerde zich dat het haar ernst was en kwam overeind. Hij hing met zijn bovenlichaam over haar heen, pakte haar gezicht vast en zei: “Ik ben bij je lieverd, alles is goed.” Ze keek hem aan en zag dat wat door zijn ogen keek en door zijn mond praatte hetzelfde was als wat door haar heen keek, praatte en ademde. Hij was haar. O nee, dacht ze, aan jou heb ik niets, jij bent mij en ik ben in angst. Ze besefte dat hij haar dus niet kon helpen. Terwijl ze naar hem keek en vervolgens de kamer om haar heen zag, voelde ze dat ze zich in een grote, zwarte, leegte bevond. Het voelde als totale eenzaamheid van een kilte die ze nooit eerder had ervaren. Alsof ze in een oneindige wereld was van staal en ijs waar nooit meer uit te komen was. Dit leek een eeuwigheid te duren.

Hij glimlachte geruststellend naar haar en zei dat alles goed was. Ineens realiseerde ze zich dat ze niet fysiek doodging maar dat het haar idee een ‘ik' te zijn, was dat aan het sterven was. Of betergezegd dat de Intelligentie die het Leven creëert zich totaal openbaarde in haar bewustzijn waardoor haar idee van een zelf, begon op te lossen. Het zelf was in doodsangst. Het wist dat het totaal geen controle had over deze ervaring die onomstotelijk bewees dat het solide ikje dat ze tot dan toe had ervaren te zijn, een totale illusie was. Het was de persoonlijke mind die door zichzelf heenkeek en zich realiseerde dat het niet bestond als een centrum achter de ogen. Dat er nooit zo’n ‘ik’ heeft bestaan.  Dat ze al die jaren in een illusie had geleefd. 

Alles was een eindeloos spel van bewustzijn in vorm wat tegelijkertijd ook leegte was. Dit was het. Dit was waar ze over had gelezen in de boeken van de verlichte meesters en mystici. Dit was de ommekeer waarnaar ze altijd had verlangt en waar ze zich allerlei voorstellingen over had gemaakt. Het was niet voor te stellen in vergelijking tot de werkelijke ervaring. Ook had ze zich niet kunnen bedenken dat deze dit moment als zo’n bedreiging zou kunnen worden ervaren. Het zelf dat het zo graag wilde meemaken maar zich niet zo diep kon realiseren dat het geen onderdeel kon zijn van dit verlichte spektakel. Dat de prijs voor totale bevrijding is dat het zich overgeeft en opoffert. Dat de illusie een zelf te zijn compleet oplost waardoor ruimte  ontstaat om de vrijheid en zelfloosheid te leven die ze is.

Geen zelf. Dat wat zo bang was in haar was niet wie ze werkelijk was. Ze was een illusie. Haar kinderen waren een illusie. Verdriet kwam nu omhoog en de tranen stroomde over haar wangen. Haar kinderen waren niet zo echt zoals ze hen tot dan toe had ervaren. Ze waren als een hologram in haar mind geweest en dat voelde als een enorme desillusie. Nu ze begreep wat er aan de hand was, wist ze ook dat het nu aankwam op totale overgave aan dat wat zich voltrok en zoveel groter was dan haarzelf. Oneindig veel groter dan haar ‘bedachte’ zelf dat volledig in de weerstand was. Door te begrijpen wat er aan de hand was, ontspande ze zich meer en meer en voelde ze zich in vrede met haar spartelende mind die de dood in de ogen keek en zich waande in die eindeloze kille ruimte van eenzaamheid. Vanuit een diep begrip en liefde voor het zelf, en de nietigheid ervan was ze nu de enorme ruimte geworden waarin het zich totaal kon overgeven.  

Een enorme vreugde overmeesterde haar toen ze begreep wat een totale vrijheid deze realisatie inhield. Met het wegvallen van de soliditeit en echtheid van haar kinderen viel plotsklaps ook de zwaarte van haar verantwoordelijkheid in haar rol als moeder weg en kwam het tot haar dat alles, maar dan ook alles, een spel van totaliteit is wat op het ultieme niveau helemaal vrij en altijd okay is. Wat er ook gebeurd. Een droommachine dat zichzelf uitspeelt. Ook al had ze vrije wil en nam ze beslissingen en was ze totaal verantwoordelijk voor haar acties in het leven, in deze ultieme werkelijkheid speelde alles zichzelf uit zoals het zich uit moest spelen en realiseerde ze zich dat alle beslissingen zichzelf nemen en dat ze haar eigen acties niet kon ontlopen. In deze totaliteit was er geen keuze en tegelijkertijd was die er wel in het leven van haar rol. Ze was altijd verantwoordelijk voor haar acties maar er was nooit een oordeel, niets was goed of fout.  Er waren alleen uitkomsten die consequenties hadden en die kennelijk ervaren wilden worden. Het was de realiteit van vrijheid waarin alles moet gaan zoals het ging. Op het niveau van mens zijn, kon ze alleen maar haar best doen, zo ook als moeder.

Voor het bewustzijn dat het leven was en waar zij nu mee samen was gesmolten, was niets te verliezen of te halen. Alles was er al en alles was compleet zoals het was. Hier waren falen en dood en alle andere angsten, een enorme zeepbel die in één keer werd doorgeprikt. Totale opluchting. Een spel van lege vormen, ervaring en vrijheid. Geen dualiteit, geen oordeel, geen schuld en geen schaamte. Hier bestond alles naast elkaar want wat waar was, was tegelijkertijd ook niet waar. Het was beide.

Zo zag ze dat zij en ieder ander er als persoonlijkheid niet toe deed en tegelijkertijd was er absolute liefde voor haar en iedereen vanuit de Bron die het leven en zijzelf was. In de absolute werkelijkheid was ze leegte in vorm en het innerlijke centrum dat ze als een waar ‘ik’ had ervaren, was een illusie. Zij als een ik deed er absoluut niet toe, net zoals niemand anders er echt toe deed want het ‘ik’ bestond niet en iedereen was onderdeel van dit ene bewustzijn als een schakeltje in het grote spel. Het spel zou niet compleet zijn zonder haar of wie dan ook. Niemand doet er iets toe en iedereen is dus even belangrijk. Wat een bevrijding!

Een gelukzaligheid nam bezit van haar hele zijn en er was niets meer over van haar persoonlijkheid. God was zij en zij was God. Een en hetzelfde. Ze was alles. Ze was haar partner en zichzelf en de kamer en de meubelen. Tegelijkertijd ervoer ze geen zelf, geen centrum aangezien alles als zelf werd ervaren. Het ervaren vond plaats door het lichaam wat ze altijd bewoond had alleen nu was haar relatie met dit lichaam totaal onpersoonlijk. Heel neutraal in de zin van een zelfde relatie die ze voelde met het lichaam van haar man of aan wie ze op dat moment maar dacht. Geen voorkeur. Het was haar ik-centrum die alles persoonlijk had gemaakt. In afwezigheid daarvan was alles onpersoonlijk en was ze vrij.  Haar lief draaide zich om en daarbij plaatste hij per ongeluk zijn ellenboog in haar zij. Ze voelde een sensatie die ze als pijnlijk zou kunnen beschrijven maar het voelde zo onpersoonlijk. Ze was niet geïdentificeerd met haar lichaam. Haar lichaam was in haarzelf, net zoals haar man dat was, inclusief de ellenboog en de zij en de sensatie. De sensatie was er in volle acceptatie. Ze verbaasde zich dat ze nergens een sprankeltje weerstand kon bemerken. Toch was het niet plezierig en dus vroeg ze hem zijn ellenboog uit haar zij te halen. Het was zo wonderlijk om te ervaren hoe er in afwezigheid van haar ik-centrum wel lichamelijke pijn was maar het pas lijden werd als het ego er tussen ging zitten en het allemaal persoonlijk maakte.

Haar lichaam ontplofte bijna van liefde, extase en vervulling. Ze keek lachend naar haar man: “Wil je met God praten? Hij keek haar vragend aan waarop ze antwoorde: “God is mij en jij, de liefde van mijn leven ben ik ook. Het is een briljante grap van onpeilbare diepte.” En ze schaterde het uit. Het voelde zo overweldigend en compleet. Zo natuurlijk ook. “Nou, hallo lieve God,” grapte hij. “Hoe gaat het nu?” “Hemels”, fluisterde ze. “Alles is goed, er heeft nooit iets bewogen, het is allemaal illusie. Het is het hele universum dat door onze ogen naar buiten kijkt en ervaart door ons lichaam”. Hij knikte en lachte en hoefde geen uitleg. Het was genoeg om bij haar te zijn met wat hij wist over wat er met haar gebeurde.

Nu begreep ze Jezus, Buddha en al die anderen en wat het is om volledig en bewust bewoond te zijn door God. Zonder conflict één te zijn met het leven zelf.  Ze zag dat een voorstelling maken van wat verlichting was en er naar te handelen met alle goede bedoelingen van dien, was als het proberen te zwemmen in een enkele druppel water terwijl ze nu de zee zelf was. Een zee van totale vrede. Vrede kon zo statisch klinken voor de mind, alsof het bijna saai was, maar de vrede die ze voelde was  zo opwindend en sober tegelijk. Het was een zaligheid.

Hij stond op en kondigde aan zijn tanden te gaan poetsen. Ze bedacht zich dat ze geen idee had, hoe ze dat zou moeten doen. Al haar conditionering was verdwenen. Als ze in deze staat zou blijven dan zou ze niet anders kunnen dan lief hebben. Ze zou niet meer voor haar kinderen kunnen zorgen, ze zou naar ze lachen en ze vasthouden. Als ze opgesloten zou worden in een inrichting omdat ze nergens meer toe in staat was en haar omgeving het niet zou begrijpen dan wist ze dat ze nog steeds perfect gelukkig zou zijn. Er was niets in de buitenwereld dat afbreuk kon doen aan wat ze ervoer zelf te zijn.

- Angelique Romeijn 


© angelique romeijn